Ode aan de fantasie en het anders-zijn

In ‘Lief dagboek’ van verhalenkunstenaar Isabelle Zumbrink, ontdekt en schrijft een 13-jarig meisje over anders-zijn en hoe de magische wereld van fantasie haar helpt.

Door Isabelle Zumbrink

Lief dagboek,

Weet je wat me net overkomen is? Je gelooft het vast niet, het was zo raar. Je kent toch het kleine kasteel net buiten het dorp? Ik schreef er weleens eerder over. Na school fietste ik erheen, zoals zo vaak. Het is daar zo lekker stil en mooi. Geen klasgenoten die me negeren, geen ouders die me met grote ogen aankijken, geen zusje die me treitert.

Ik zette mijn donkergrijze fiets aan het begin van de kronkelige laan neer. In de verte zag ik de laatste bocht, daar vlak naast ligt de ondiepe gracht. Mijn schooltas trok ik onder de snelbinders vandaan en zwiepte ‘m op mijn rug.

De bladeren in de hoge bomen langs de laan ritselden. Ik bleef staan om te luisteren. Het leek net alsof ze naar elkaar fluisterden: ‘Hé, daar is ze er weer. Gezellig’. Zo stom natuurlijk. Ik haalde mijn schouders op nadat de bladeren weer stil waren en sprong over de grote plassen van de voorjaarsbui van gisteren heen. Mijn nieuwe laarzen mogen niet vies worden, ik had echt geen zin in een preek van ma wanneer ik thuis kom…

Wat is dat kasteel toch romantisch. In het dorp zeggen ze dat er vroeger een echte prins woonde. Met veel geld enzo. Klinkt als een echt sprookje.

Trouwens, waarom redt de prins altijd de prinses en niet andersom? Dat kan best wel! Toen ik dit ooit eens tegen mijn buurmeisje zei, keek ze me verbaasd aan. Ze zei dat een prins dit nou eenmaal doet en de prinses wacht gewoon op hem. ‘Zo hoort dat!’ Mmmm, vind ik toch wel raar…

De appelbomen direct naast het kasteel beschermen het met hun wijde takken. Nog even en de bomen staan weer in bloei! Wanneer je er dan onder doorloopt, regent het witte bloesem in mijn donkerblonde krullen J

Het bos achter het kasteel, met de oogvormige knoesten in de boomstam, daar kom ik echt niet. Te donker. De ogen lijken me na te kijken wanneer ik langs loop. De enge stilte daar, ik ga er altijd helemaal van rillen.

In de gracht voor mij zag ik het kasteel, gerimpeld en golvend, en toen gebeurde het. Achter één van de ramen boven in de toren zag ik een meisje. Tenminste, dat denk ik… Kort piekerig haar, slungelig bovenlijf, hoekig gezicht. En toch ook lange oorbellen en donkerroze lippen.

Ik keek op naar het echte kasteel en weg was ze. Een donkere streep tussen de bewegende witte gordijnen. Niemand! Ik keek naar de andere ramen, ook niemand. In het gerimpelde kasteel voor mijn voeten, zag ik haar ook niet meer. Ik bleef nog lange tijd bij de gracht staan, wie weet kwam ze terug… Maar ik zag geen enkele beweging meer achter één van de ramen.

Thuis vertelde ik er niets over. Ik hoor ze al zeggen: ‘Jij met die grote fantasie en nieuwsgierigheid. Lees eens wat minder van die fantasieboeken. Je zal ’t wel niet goed gezien hebben. Klaar ermee, hou op met die onzin!’

Ik weet ’t niet hoor… Stond daar echt iemand? Haalde ze een geintje uit door gelijk weg te duiken? En was ze inderdaad echt een zij? Of toch een jongen? Van de week ga ik gelijk weer langs bij het kasteel, ik moet ’t weten!

Deel op: